Gelukkig begrijp en spreek ik een beetje Oezbeeks, dat komt de sfeer ten goede. En ik beeld me in dat het sympathie opwekt bij de mannen. Ze werken extra hard en nauwkeurig, denk ik. Hoewel er niet veel woorden nodig zijn in de bouw en je uiteindelijk toch altijd eindigt met een soort Hints: als een malloot sta je daar met de ene hand in een vuist en met de andere een draaiende polsbeweging makend om een schroevendraaier uit te beelden. Ook dat bevordert de toenadering.
De Oezbeken heb ik een paar dagen ‘geleend’ van de buren. Die hadden even geen werk voor ze en ja, zeg nou zelf, je laat een stel bouwvakkende Oezbeken in de bloei van hun arbeidzame leven niet zomaar een paar dagen stilzitten.
Indiërs, Pakistani en Oezbeken doen hier het ‘vuile’ werk. De eerste twee vooral in de wegenbouw, in opdracht van Chinese aannemers. Het gerucht gaat dat de Pakistani hun geld pas thuis via een staatsorganisatie uitbetaald krijgen en dat ze zodra ze ziek worden onmiddellijk terug naar huis moeten. Oezbeken werken vooral in huizenbouw. En nu dus ook in zwembadreparatie.
In mijn dorp zijn er nauwelijks jonge mannen te bekennen. Want duizenden Kirgiezen trekken naar Rusland om daar laagbetaalde banen te vervullen. In eigen land doen migranten dan het werk waar Kirgiezen zelf geen capaciteit meer voor hebben. Het resultaat is een circulatie van geld en handel, maar nauwelijks duurzame productie of opbouw van een eigen economie. Een systeem waarin iedereen beweegt, maar niemand wezenlijk vooruitkomt.
Natuurlijk is het best grappig te kunnen pronken met vier Oezbeken in je zwembad, maar het doet pijn dat Kirgizië afhankelijk blijft van geldovermakingen en tijdelijke arbeid, in plaats van structurele ontwikkeling en zelfvoorzienende groei. Liever had ik lokale werknemers, die ik dan achter de broek zou zitten om te zorgen dat ze hun vlindermessen en breekijzers niet lieten slingeren.